
Zwevend tussen de steile, kale, de hemelbestormende bergen daalde Bjor af richting het dal. Aan de schittering van de zon op het ijs en de vorm zag hij dat hij de juiste vallei gevonden had. Van daaruit was het een week lopen naar de stad en dat gaf hem de kans aan het lijf te wennen. In het eerste licht werd hij aan de rand van de ijsvlakte drie mannen gewaar. Aan twee had hij niets; hij moest een man apart hebben. Toch hielpen die drie hem door te wijzen naar de eenzame ijsloper vlak bij de andere kant van het meer. Een keer vloog Bjor over de mens. Het was een man en elke gezonde man was goed genoeg voor zijn doel. Deze zag er stevig uit en leek Bjor geschikt.
Het was zover. Geruisloos gleed hij in de langzame duikvlucht naar beneden. Dichter en dichterbij naderde hij de man, die onverstoorbaar doorliep.
De vlammen, versterkt met het maagpoeder, daalden neer op de man. ‘Jeg vil være deg.’ De magie had een verduisterend effect en dat niet alleen. Zijn hersens rammelden alsof een stok door een hoop mieren de orde had verstoord en het voelde kriebelig, een beetje vochtig aan. Met het toenemen van het licht zag hij de laarzen op het ijs. Het was gelukt. Wennen ging moeizaam. Vijf keer schoot hij onderuit voor Bjor doorhad, hoe hij dit lijf netjes over het ijs moest bewegen. Om zich heen kijkend, was de man, nu draak, in geen velden of wegen te zien. Natuurlijk niet, die was volledig in paniek en moest wennen aan de lucht, zoals Bjor aan het ijs moest wennen.
Het ijs lag alweer een dag achter hem en het aantal keren dat Bjor gevallen was telde hij niet. Lopen vond hij een moeizame, trage ervaring. De schokkerige motoriek van het mensenlichaam was totaal anders dan het ontspannen zweven van het drakenlijf. In het zweven overheerste de frisse lucht van de wind, hooguit afgewisseld met de zalige reuk van een vulkaan. Hier kwamen geuren zijn neus in die hij zelfs niet kon omschrijven. Zien was hele andere koek. Verrukt, want hoog in hemel kreeg hij die niet te zien, staarde hij naar de details, zoals het halfronde insect met een rood schild met zwarte stippen. En dan die handen. Het bezit was een openbaring voor hem, iets kunnen voelen vond Bjor fantastisch. Daarentegen werd hij knettergek van de herrie in zijn oren. Aan mens zijn, zat meer vast dan hij van tevoren bedacht had.
Bij de Oude had hij niet gevraagd waar de effecten van de wisseling van de lijven uit bestonden en de mens had hij niet afgetast voor hij hem overnam. De man, Peter, bleek een voortvluchtige, een moordenaar en een vrouwenverslinder te zijn. Bjor besefte dat dit ellende kon betekenen. Hij betreurde zijn fout. Zijn vrienden hadden gelijk. Hij was een naïeve, goedgelovige sukkel.
Drie dagen later daalde Bjor de helling af naar de stad. Daar hoopte hij optimaal van zijn menszijn te kunnen genieten.
Zonder problemen liep hij de stad en gaf geen aandacht aan het zwartgeblakerde restant van het poortgebouw. Wat hij opving in de gesprekken om hem heen was het woord “draak”. Dat zou toch niet het gevolg zijn van de gedaanteruil?
Wil je meer van me lezen? Mijn boeken vind je bij Ambilicious en Kobo. Bij Kobo-plus zelfs gratis. Ben je nieuwsgierig naar mijn volgende boeken? Wil je weten wanneer er een boek verschijnt? Stuur me (wimaf25wag@gmail.com) je mailadres achter en ik hou je op de hoogte.
Wil je terug naar deel een? Dit is de link.