bruggen

Er is schoonheid in de Nijmeegse bruggen (slot)

            De Oversteek verbindt de nieuwbouw aan de Lentse kant met Nijmegen. Het is een schitterende brug, een kunstwerk met een elegante boog hoog in de lucht, een licht beeld afstekend tegen de horizon. Het geeft een gracieuze, welgevormde aanblik: vrouwelijk. De gemetselde bogen in de aanvoerlijnen naar de brug zijn daarentegen robuust: mannelijk. Je kan het totaalbeeld genderneutraal noemen.

            Dan gaan de ontwerpers los en ze ontwerpen een architectonisch fraaie, nee schitterende, aanleg van Veurlent en oevers. Alles past, alles klopt. Er komen bruggen. Bruggen die je kan gebruiken. Meer nog, deze bruggen wil je laten zien. Boy, oh boy, wat zijn ze mooi. Als ik het talent had, zou ik een lied schrijven: er is schoonheid in de Nijmeegse bruggen. De nieuwe bruggen krijgen namen. Natuurlijk krijgen ze namen, deze bruggen hebben uitstraling, ze hebben persoonlijkheid.

            Bruggen verbinden oevers. Dat is hun functie, dat is de reden van hun bestaan. De bruggen over de Spiegelwaal verbinden ook schoonheid. De schoonheid van het nieuw ontworpen landschap. Schoonheid die hoop geeft in een wereld waar schoonheid vaak vernietigd wordt. De massieve constructie van staal en beton doet aan het beeld niets af: de bruggen ogen licht en sierlijk. Ze geven dat verrukkelijke gevoel van zweven.

            De Lentloper met de fee-achtige doorsteken onder het wegdek. Dat gladde, glanzende beton onder de brug, waar zie je zoiets? Een slanke lijn van het vasteland naar het eiland, in het midden breder. Een doordacht accent waardoor haar vormen goed uitkomen. Haar vormen. Voor mij is deze brug zó gracieus, zó mooi, deze brug is een vrouw.

            De Zaligebrug, nog zo’n toonbeeld van speelse architectuur. Ik heb geen enkele twijfel, door haar gebogen lijnen, zowel horizontaal als verticaal, danst de brug als een vrolijke nimf over het water.

            Aan de stadskant is daar de wandelbrug de Ooypoort, de poort van Nijmegen naar de Ooypolder. De wandelaar loopt de brug niet op, de wandelaar beklimt de tonronde brug. Bijna boven aangekomen, waardeert de brug die beklimming met een groet: een beweging in de cadans van de stappen.

            En als laatste krijgt de Nijmegenaar een verrassing. De nevengeul in de Ooypolder wordt doorgestoken naar de Waal en wat komt daar uit de klei te voorschijn? ’t Zeumplankje, de verbinding naar de Nijmeegse Stadswaard. Prettig in z’n eenvoud, het bruggetje zegt: “Kom gebruik mij, ga wandelen in de Stadswaard.”

            Fantastisch die schoonheid, wat een pracht, wat een welbevinden. Dat zwarte rafelrandje, die barrière van de Waalkade, die barrière waar de schoonheid van het geheel op dood sloeg, die is weg. Het is nu de Waalboulevard. Niet alleen de toeristen mogen dit zien, ook Nijmegenaren. De stad moet nog wennen: geen voortrazende auto’s meer, lekker flaneren. Liefdes bloeien op, kinderen spelen, oudjes genieten van de zon. Nijmegen ligt weer aan de Waal.

Wil je meer van mij lezen? Ga naar Kobo of Ambilicious.

Deel dit artikel