Schoonheid

schoonheid
wild water kano

Schoonheid vind je overal. En zeker in de Nijmeegse bruggen.  Er is iets bijzonders met die bruggen: ze zijn geen van allen oud. De spoorbrug is de oudste, van 1878. Dat is niet oud, Nijmegen is tenslotte ongeveer 2.000 oud.

Ooit, zo rond 150-200 hebben de Romeinen een brug gebouwd, ongeveer op de plek van de spoorbrug. Maar ja, het Romeinse Rijk ging ten onder. De brug dus ook, waarschijnlijk na ergens na 400-500 nadat de Romeinen vertrokken zijn.

Nijmegen is een stad van heuvels maar ook van bruggen.

De spoorbrug is ouder dan de Waalbrug, dat telt niet. Schoonheid is waar het om draait. Niet langer wordt de schoonheid van de drie bogen geaccentueerd door de avondzon. Het is nu een brug van na de oorlog met één boog. Oh, er is niets mis met die nieuwe brug: hij is stoer en functioneel. Schoonheid zie ik niet, wel twee rommelig aan elkaar geplakte bogen van spoorbrug en Snelbinder.

De Waalbrug is ook een stoere brug, maar vergis je niet: in de Waalbrug is schoonheid. Je moet niet alleen kijken, je moet het ook zien. Dan zie je een brede rivier met daarboven de  brug, hoog in de lucht. Magistraal is het beeld als de zon zijn ochtendlicht door de grote boog werpt. De bogen, zowel boven als beneden, verzachten de strakke lijn van de verbinding. Die verzachting zie je ook in de peilers van de verlengde Waalbrug. De Waalbrug is zwaar van staal, licht van beeld.

Nijmegen groeit

Nijmegen bouwt. Decennia lang zuidwaarts, met de rug naar de Waal. De Waalkade is het symbool voor die rug naar de rivier: het is een barrière. Een barrière die veel breder is dan de fysieke afstand aangeeft; een barrière van weg en asfaltvlakte langs het water. Een weg, waar het 30 km-gebod voor automobilisten een goed bedoeld advies is. Een asfaltvlakte met tafeltjes en stoeltjes, terrasschermen, hekjes, fietsenrekken, auto’s en plantenbakken. Waar is de relatie tussen al die elementen? Die is er niet; het is los zand. Los zand op een asfaltwoestijn. Nijmegen staat met zijn rug naar de Waal.

 Het nieuwe millennium brengt verandering. Tja, na de bijna dijkdoorbraken in 1993 en 1995 wordt Den Haag wakker: stel je voor dat West-Nederland onderloopt! Niet vanuit zee, onze oude watervijand, maar vanuit de rivieren. Als een dolkstoot in de rug. Even was iedereen vergeten dat Nederland een rivierdelta is. Den Haag wil ruimte voor de rivier; Nijmegen wil de Waalsprong. Nederland, polderland, dus de wensen gaan samen. Er komt een nevengeul naast de Waal, als een spiegel: inderdaad, de Spiegelwaal.

 De Oversteek verbindt de nieuwbouw aan de Lentse kant met Nijmegen. Het is een schitterende brug, een kunstwerk met een elegante boog hoog in de lucht, een licht beeld afstekend tegen de horizon. Het geeft een gracieuze, welgevormde aanblik: vrouwelijk. De gemetselde bogen in de aanvoerlijnen naar de brug zijn daarentegen robuust: mannelijk. Je zou het totaalbeeld genderneutraal kunnen noemen.

 Dan gaan de ontwerpers echt los en komt er een architectonisch fraaie, nee schitterende, aanleg van Veurlent en oevers. Alles past, alles klopt. Er komen bruggen. Bruggen die je kan gebruiken. Meer nog, het zijn bruggen die je wil laten laten zien. Boy, oh boy, wat zijn ze mooi. Als ik er het talent voor had, zou ik er een lied over schrijven: er is schoonheid in de Nijmeegse bruggen. De nieuwe bruggen krijgen namen. Natuurlijk krijgen ze namen: deze bruggen zijn niet zomaar bruggen: ze hebben uitstraling. Het zijn ware persoonlijkheden.

 Bruggen verbinden oevers. Dat is hun functie, dat is de reden van hun bestaan. Maar de bruggen over de Spiegelwaal verbinden ook schoonheid. De schoonheid van het nieuw ontworpen landschap. Schoonheid die hoop geeft in een wereld waar schoonheid vaak vernietigd wordt. De massieve constructie van staal en beton doet aan het beeld niets af: de bruggen ogen licht en sierlijk. Ze geven dat verrukkelijke gevoel van zweven.

 De Lentloper met de fee-achtige doorsteken onder het wegdek. Dat gladde, glanzende beton onder de brug, waar zie je zoiets? Een slanke lijn van het vasteland naar het eiland, in het midden breder. Een doordacht accent waardoor haar vormen goed uitkomen. Haar vormen, want voor mij is deze brug zó gracieus, zó mooi, dat kan alleen een vrouw zijn.

 De Zaligebrug: nog zo’n toonbeeld van speelse architectuur. Door haar gebogen lijnen zowel horizontaal als verticaal is er geen twijfel mogelijk: deze brug danst als een vrolijke nimf over het water.

 Dan, aan de stadskant, is daar de wandelbrug de Ooypoort, de poort van Nijmegen naar de Ooypolder. De wandelaar loopt de brug niet op, de wandelaar beklimt de tonronde brug. Bijna boven aangekomen, waardeert de brug die beklimming met een groet: een beweging in de cadans van de stappen.

 En als laatste krijgt de Nijmegenaar een verrassing. De nevengeul in de Ooypolder wordt doorgestoken naar de Waal en wat komt daar uit de klei te tevoorschijn? ’t Zeumplankje, de verbinding naar de Nijmeegse Stadswaard. Prettig in z’n eenvoud; het bruggetje zegt: “Kom gebruik mij, ga wandelen in de Stadswaard.”

Fantastisch die schoonheid, wat een pracht, wat een welbevinden.

Deel dit artikel